|
|
|
|
| |
Het was buiten koud en de wind woei hard om het oude huis heen toen Carla erlangs liep. Ze trok haar
jas wat dichter tegen zich aan. Tot overmaat van ramp begon het nog te
hagelen ook. Ze had al een hekel aan de winter en al helemaal om met
dit weer boodschappen te doen. Maar ja, zo vlak voor kerst moet je toch
van alles in huis hebben, een boom versieren en dat soort dingen nog
meer. Een hoop mensen keken ernaar uit, datzelfde gold voor haar man en
kinderen ook. Maar Carla niet, zij hield niet zo van die drukte. Rond
deze dagen moest ze altijd van alles en nog wat regelen, kerstkaarten
kopen, schrijven, versturen, cadeautjes voor man en kinderen halen en
dat altijd bij guur weer. Dan ook nog eens koken en maar leuk doen
tegenover familie en kennissen. God, wat haatte ze dat gedoe. Voor
haar hoefde het allemaal niet. Deze sombere gedachten gingen door haar
heen toen ze langs het oude huis liep. Eigenlijk voelde ze zich van
binnen precies hetzelfde als de staat waarin het huis zich verkeerde: somber en verlaten. Carla werd rond deze tijd altijd somber, niet
alleen vanwege het weer maar ook omdat zij tijdens de kerstdagen altijd
aan haar eerste man moest denken die zichzelf had doodgeschoten rond
kerstavond. Hij had een zware depressie en was al geruime tijd
levensmoe. Nu was dit alweer twaalf jaar geleden gebeurd en was Carla
al negen jaar gelukkig getrouwd met een schat van een man en hadden
samen twee kinderen, maar toch liet het haar niet los. Haar man Michael
had er wel begrip voor maar vond de kerst toch wel belangrijk. Niet
alleen voor de kinderen maar ook voor de familie. Michael was echt een
familie mens, totaal anders dan Carla. Maar ja, dacht ze bij zichzelf,
de liefde die ze voor elkaar voelden maakten een hoop goed en Michael
was rond deze tijd van het jaar altijd extra bezorgd om haar gevoelens.
Daar putte ze kracht uit... de aandacht die hij haar schonk. Diep in
gedachten verzonken stootte ze met haar been tegen een omgevallen
vuilnisbak, waardoor ze met een harde smak struikelde en languit op de
koude stoepstenen kwam te liggen, waarbij ze haar handen schaafde. De
hagel viel meedogenloos omlaag om als een bui kleine kiezelsteentjes
hard op haar lichaam te kletteren zonder rekening te houden met haar
gevoelens. Het leek wel alsof de weergoden boos op haar waren geworden
omdat de hagelbui in alle hevigheid toenam."Verdomme", vloekte ze. Ze
keek naar haar geschaafde handschoenen terwijl ze languit op de grond
lag, haar beide handpalmen voelden rauw aan. Er sijpelde wat bloed uit. "Verdomme, verdomme, verdomme", vloekte ze weer terwijl
ze overeind probeerde te klauteren. "Gaat het mevrouw?", wilde een
vriendelijke stem van haar weten. Ze keek op en zag het gezicht van de
kerstman, of beter gezegd: iemand die zich als kerstman verkleed had. Hij stak zijn handen uit naar haar. Ze keek hem zuchtend aan en keek naar zijn handen alsof hij haar een oneerbaar voorstel had gedaan. Oh god, wat had ze een hekel aan kerstmis.
De kerstman wachtte niet totdat ze zijn handen zou beetpakken, hij liep
naar voren en trok haar met zijn sterke armen aan haar schouders
overeind. "Dank u", stamelde ze moeizaam toen ze weer met beide benen
op de grond stond. "Wilt u misschien een lift, mevrouw?", vroeg hij
haar met een dikke knipoog. "Nee dank u", zei ze moeizaam terwijl ze
met haar handen haar jas afklopte en daarbij een verbeten gezicht trok
omdat ze pijn voelde aan haar handen. "Maar u heeft pijn", stelde hij
vast. "Weet u zeker dat u geen lift wilt? Mijn wagen staat hier vlakbij
geparkeerd", daarbij wees hij met zijn vinger naar een zwarte Porsche 911, die een paar meter bij hem vandaan stond geparkeerd. Hij gaf haar opnieuw een knipoogje. Ze huiverde heel even toen ze de wagen zag. Haar eerste man had namelijk precies dezelfde auto gehad. Ze had deze kort na zijn dood verkocht
aan een dikke man met een vette sigaar in zijn mond. In gedachten zag
ze de koper weer voor zich staan, een vieze oude man met een
ongeschoren uiterlijk maar wel met een hoop geld. Ze had de wagen dan
ook voor veel geld aan hem verkocht. Ze werd uit haar gedachten gerukt,
toen de kerstman weer tot haar sprak. "Ik was namelijk net op weg naar
een familie feestje.", verklaarde hij en trok zijn witte baard een stuk
omlaag. Ze herkende het gezicht van haar overleden man, John Gibson.
Hij
lachte toen hij realiseerde dat ze hem herkende en trok toen zijn hele
baard eraf. Ze staarde naar een half verbrijzelde onderkaak waar een
groot gat in zat. Het gat markeerde de plaats van de kogel waarmee John
zichzelf van het leven had berooft , een paar verbrijzelde stukjes bot
staken naar buiten. Ze zag wat bloed uit de wond druppelen, alsof het
nog maar kort geleden gebeurd was. Echter : het gezicht van John was grijs en dof, zijn ogen koud en levenloos en daar stond hij voor haar. John lachte heel even en loste vervolgens op in een groene mist. Een moment later wees niets meer op de spookachtige verschijning van John, alsof hij in de ijle lucht was opgelost. Ook de Porsche was niet meer te zien. Carla barste in snikken uit en liet zich weer op de grond vallen en beukte met haar vuisten op de vuile stoepstenen terwijl de hagel met bakken tegelijk uit de hemel leek te vallen en in haar nek kletterde. "Sst, rustig maar buurvrouw", hoorde ze een stem zeggen. Ze keek op en staarde in het gezicht van haar buurman. Daarna werd alles zwart voor haar ogen.... Haar buurman schrok en probeerde haar overeind te helpen, dat lukte maar moeizaam. Hij streek even door haar haren en keek haar bezorgt aan. Daarna pakte hij zijn mobiele telefoon en vroeg om een ambulance die haar naar het ziekenhuis bracht.
Carla knipperde even met haar ogen en sloot ze meteen weer toen ze recht in een grote witte lamp keek. "Kunt u uw vingers bewegen, mevrouw Withfield?", hoorde ze een vreemde stem vlakbij haar rechteroor zachtjes zeggen. Met gesloten oogleden bracht ze haar vingers gehoorzaam in beweging
zonder er verder bij na te denken. Haar vingers voelden koud en stijf
aan; ze bewogen maar een heel klein beetje en de beweging deed haar
pijn. Er blonken een paar tranen in de ogen "Auw", klonk haar stem
zachtjes en hees. Het leek wel alsof haar vingers bevroren waren, zo
koud en stijf voelden ze aan. De dokter haalde opgelucht adem en veegde
daarna met een doekje haar tranen weg. Haar handen waren weliswaar
geschaafd door de scherpe stoeprand, grote lappen huid was door de ruwe
stenen eraf geschraapt; maar ze waren tenminste niet gebroken en ook de
motoriek was in orde stelde hij zojuist opgelucht vast. Hij verdraaide
de lamp een stukje. "U kunt uw ogen weer open doen, mevrouw Withfield.
De lamp schijnt nu niet meer recht in uw gezicht." Ze deed wat hij zei
en had er geen spijt van want ze staarde in het gezicht van een knappe
donkerblonde man met blauwe ogen. Zijn lippen zagen er vol en
uitnodigend uit. Als de omstandigheden beter waren geweest en ze ook
nog niet getrouwd was, dan zou ze zeker gaan bedelen voor een
afspraakje met hem. Met die gedachte in haar achterhoofd bevochtigde ze
met haar tong haar lippen. "Waar ben ik?", wilde ze van hem weten. Haar
stem klonk haar vreemd in de oren, ze klonk erg hees en kwam van verre.
De dokter zei niet meteen iets tegen haar, hij legde zijn koele hand op
haar voorhoofd en sprak vervolgens "Ik ben dokter Carlson en u bent in
het Catherine Hospital, mevrouw. U heeft een lelijke smak gemaakt en
bent achten veertig uur buiten bewustzijn geweest en we zijn blij u
weer terug te zien, mevrouw Withfield. Zeker met de kerst zo vlak voor
de deur." Kerstmis, dacht ze en begon angstig te worden. In gedachten
zag ze haar overleden man weer voor zich in kerstkostuum. Verkleed als
kerstman, met een groot gat in zijn onderkaak waar wat bloed uit druppelde. "Nee, nee, nee", gilde ze. "Geen kerst, alstublieft geen kerstmis, geen kerstman meer!", ijlde ze. Er druppelde een paar zweetdruppels op haar voorhoofd. "Sst, rustig maar mevrouw. Alles komt weer goed", zei dokter Carlson. "U hoeft zich geen zorgen te maken. Ik zal u
een paar kalmeringstabletten geven, valium om precies te zijn. Daarna
zal ik uw man op de hoogte brengen, hij en uw kinderen waren iedere dag
langs geweest om u te bezoeken. Ze maken zich erg ongerust. U hoeft
zich echt geen zorgen te maken, alles komt wel weer goed.", verzekerde
hij haar. De dokter drukte op een knopje bij het bed, een paar tellen
later verscheen er een blonde verpleegster in de kamer. De verpleegster had haar haren in een knot opgestoken, waardoor ze er streng uitzag doordat ze een lang en mager gezicht had. "Kun je een valium tablet voor mevrouw Withfield halen, Jenny?", vroeg de dokter en richtte vervolgens zijn aandacht weer op Carla. "U moet echt tot rust komen, mevrouw Withfield. U krijgt nu een tablet om te kalmeren, als u weer tot rust
bent gekomen en u heeft wat nodig dan hoeft u alleen maar op deze knop
te drukken", hij wees op een rode knop dat vlakbij haar hoofdeinde zat.
"De dienstdoende verpleegster zal er dan aankomen. Ik geef u nu meteen
een morfineprik tegen de pijn in uw handen.", voegde hij eraan toe en
keek haar heel even indringend aan met zijn blauwe ogen. Daarna haalde
hij een injectienaald te voorschijn en spoot de morfine in haar arm. De
blonde verpleegster bracht haar een glas water samen met een valium
tablet. Dankbaar nam ze een paar slokjes. "U moet rustig drinken,
mevrouw Withfield. U bent twee dagen buiten bewustzijn geweest,
waardoor uw maag wat gekrompen is. Daarom dat u een infuus in uw arm
heeft." Carla knikte eventjes met het hoofd. "U moet proberen wat tot
rust te komen, probeer nog wat te slapen. Morgen praten we verder en
kunt u uw man en kinderen zien." "Maar dokter. U zei zojuist dat ik
twee dagen in coma ben geweest. Waarom zou ik gaan slapen? Straks raak ik weer in coma", antwoordde ze zwakjes en keek hem daarbij vragend aan. "U hoeft zich echt geen zorgen te maken mevrouw. Rust is wat u nu nodig heeft om op krachten te komen. Veel rust. U hoeft niet bang te zijn dat u weer in coma zal raken.", met die laatste woorden verliet de dokter de kamer. Een moment later werd het licht uit gedaan. Carla was weer
alleen, omringt door de duisternis die in de kamer heerste met alleen
een waaklampje naast haar bed. Ze wilde niet slapen, niet nu. Ze was
doodsbang om weer in coma te geraken. Onrustig keek ze om zich heen,
veel zag ze niet. Ze zag het silhouet van een ander ziekenhuisbed, het
was onbeslapen. Carla begreep dat ze alleen was in een
tweepersoonskamer. Onder de gesloten deur van de kamer kon ze een dunne
streep licht zien, erachter klonk geroezemoes van voetstappen en
fluisterende stemmen. Hoewel Carla niet wilde slapen, merkte ze dat
haar oogleden zwaarder begonnen te worden. Met moeite hield ze haar
ogen open om te vechten tegen de slaap die haar langzaam overmande. Nog
voor ze in slaap sukkelde werd de deur open gemaakt door de
nachtzuster, die met een zaklamp in de kamer scheen. De lichtbundel
gleed over haar gezicht. "Kunt u niet in slaap komen, mevrouw
Withfield?", vroeg de nachtzuster met een zachte stem terwijl ze bij
het bed van Carla stond en de lichtbundel van de zaklamp boven haar
hoofd liet rusten. Hierdoor zag Carla de nachtzuster slechts als een silhouet. Carla schudde haar hoofd zwakjes. "Zal ik een slaapmiddel
aan u geven, mevrouw Withfield. Want u moet toch echt wat proberen te
slapen. De rust zal u goed doen, zodat u sneller kan herstellen en het
ziekenhuis kunt verlaten." Zonder op antwoord te wachten verliet de
nachtzuster de kamer, om even later terug te komen met een slaappil en
een glas water. Het was echter niet meer nodig. Carla was inmiddels in
slaap gevallen. Met een zucht verliet de nachtzuster zachtjes de kamer.
De
volgende dag deed Carla met een zucht haar ogen open. De lamp in de
kamer brandde zachtjes en ze keek vredig om zich heen. Vlak naast het
bed stond een klein tafeltje waarop een vaas met wat bloemen stond. De
bloemen stonden op het punt van uitkomen, het gaf Carla een blij gevoel
in haar hart. De groene gordijnen bij het raam waren nog dicht maar
door een klein kiertje kon ze nog naar buiten gluren. Ze ving een glimp
op van de opgaande zon, de paar wolkjes die aan de hemel stonden werden
rood gekleurd, verder zag de hemel er stralend blauw uit. Carla lachte
een beetje en probeerde haar armen op te tillen, wat met veel pijn en
moeite lukte. Haar handen zaten in het verband. De deur in de kamer
ging open, ze keek op en zag een kerstman naar binnen gaan. "Ho, ho,
ho, ho. Vrolijk kerstfeest", riep hij en liep vervolgens met een grote
zak op zijn rug naar haar bed toe. De kerstman keek haar vriendelijk
aan en schudde toen de bruin jute zak leeg op het bed. Een paar
knekelhanden kwamen te voorschijn, Carla gilde bij het zien van de
pezige vingers. De kerstman trok zijn must van zijn hoofd en zijn baard viel van zijn gezicht. Ze herkende John Gibson!
Zijn hele kin en onderkaak was verdwenen, in plaats daarvan zag ze een
donker gat. John keek haar indringend aan en keek toen omhoog. Carla
begon nog harder te gillen en wilde haar ogen sluiten en haar hoofd
omdraaien. Ze kon zich echter niet verroeren en doordat John omhoog
keek, kon ze zijn pezige nekwervels zien , voordat deze door een laag
bloed werd overspoeld wat op haar beddensprei een rode vlek
veroorzaakte. John keek haar daarna aan, liep naar haar toe en trok met
een harde ruk het verband van haar handen, die flink begon te bloeden.
Met zijn rauwe tong likte hij haar vingers schoon. Het bloed van haar
vingers droop op zijn verbleekte tanden. Hij lachte en zei "Carla, ik
hou zo ontzettend veel van je", zijn stem klonk teder. Daarna schraapte
hij met zijn tanden haar huid los en begon te kluiven aan haar vingers
terwijl het bloed alle kanten opspoot. Hij hield op toen er geen vlees
meer over was en schoof daarna een trouwring om haar rechter
ringvinger. "Je bent mijn vrouw, Carla. Ik kan niet zonder je. Ik
vergeef het je dat je me ontrouw bent geweest en wil je weer bij me
hebben", sprak hij zachtjes en verdween daarna weer in een groene wolk.
Nadat hij was opgelost begon Carla heel hard te gillen. Met haar tanden rukte ze de laatste restjes van het verband los. De ring die John om haar vinger had gedaan
verspreide een gouden gloed in de kamer. Een paar verpleegsters die op
haar gegil de kamer in snelden renden meteen naar haar toe en sloegen
alarm. Ze kreeg twee morfine prikken tegen de pijn en werd op een
brancard gelegd om haar met spoed naar de operatiezaal te brengen. Alle
hulp was echter te laat, Carla stierf op de brancard. De shock om haar
overleden man te zien en het feit dat haar handen zo gehavend waren ,
was haar te groot geweest. Ze blies haar laatste ademtocht uit en
stierf met een gouden trouwring van haar overleden man aan haar rechter
ringvinger, die nog zachtjes gloeide in het donker. Met geen
mogelijkheid had de dokter haar leven nog kunnen redden. |
| |
| |
|
| |
|
| |
|
|